POLO IN HET KORT


Hier staat wat meer informatie over pupillenpolo

Hoe werkt een Time-out



In dit hoofdstuk gaan we in op 2 onderwerpen uit het waterpolo:

De bal werpen      

Bij sportprogramma's hoor je de verslaggevers vaak praten over een mooie voorzet van Pietje, op goed aangeven van Klaas, na een prima pass van Mari of Kees scoort na een assist van Rene. Deze verslaggevers noemen niet alleen degene die het doelpunt maakt, maar ook degene die de beslissende schot aan de doelpuntenmaker gaf, omdat zij weten dat het op het juiste moment en op de juiste plaats aangeven van de bal erg belangrijk, maar ook erg moeilijk is. Een bal snel en nauwkeurig passen terwijl er aan alle kanten verdedigers om je heen zijn vereist veel oefening. Om het goed werpen van een bal te kunnen oefenen, moet je eerst weten hoe je een worp het beste uit kunt voeren (de techniek). Er is echter niet een manier om een bal te werpen, maar er zijn er meerdere. De techniek van worpen die je kiest, is afhankelijk van:

vangen

Een korte bal

Als je naar iemand wilt gooien die vlak bij je ligt (1-3 meter) zul je niet in hoeven te draaien omdat het schot niet veel kracht kost. Je kunt de bal boven je hoofd houden en alleen met je arm (schouder, elleboog, pols, vingers) plaatsen. Een goed geplaatste bal naar een medespeler moet 30 - 50 cm boven de schouder van de vangarm geworpen worden. Als je een bal verder wilt gooien den zul je dat met het strekken van je arm alleen niet halen, dan moet je indraaien.


Het werpen

Schouderactie Schouderactie Schouderactie

We zullen hier ook de techniek van het werpen behandelen. Als je de bal naast je hoofd hebt, draai je je schouder van de arm waarmee je niet gooit naar voren. Door dit draaien kun je de bal straks verder gooien. Je kunt dit indraaien vergelijken met het spannen van een boog. Als je nu de bal met je rechterhand wilt werpen, begin je je linkerschouder naar achteren en je rechterschouder naar voren te draaien. Als je rechterschouder helemaal voor is breng je je rechterarm van achter je hoofd naar voren en op het laatste moment klap je je pols om. De bal krijgt dus vooral snelheid door het draaien van het lichaam en het omklappen van je pols. Wanneer je niet ver hoeft te werpen is het in en uidraaien natuurlijk niet nodig.


Een strakke bal

Strak

Als je een bal snel wilt plaatsen dan moet je een strakke bal geven. Een strakke bal is een bal zonder boog. Dit kan tussen 3 - 6 meter. Als je nog verder wilt plaatsen zal de bal weer met een boog gaan. Het is belangrijk dat je, wanneer de bal de hand verlaat, de bal met je vingers nawijst om precies de richting te bepalen.


Werpen met een boog

Boog

Als er een verdediger tussen jou en je medespeler ligt, zul je de bal met een boog moeten gooien. Die boog moet zo zijn dat de verdediger niet aan de bal kan en je medespeler de bal goed kan vangen.


Werpen met inzicht

Wanneer je een bal op een zwemmende speler moet plaatsen zijn er twee zaken waar je rekening mee moet houden. Het eerste is de snelheid waarmee deze speler zwemt. Je houdt met zijn snelheid rekening door de bal op enige afstand voor de speler te plaatsen. In de tweede plaats is de zwemrichting belangrijk. Zwemt hij naar je toe of van je af? Gaat hij naar links of naar rechts? Het is belangrijk dat je eerst de technieken van het gooien over diverse afstanden goed beheerst. Oefen zolang dat de bal precies terecht komt op de plaats waar jij hem wilt hebben. Als dat goed gaat kun je met bewegende medespelers en tegenstanders oefenen. Tot slot is het goed om te weten dat je een bal op verschillende manieren (met verschillende technieken) kunt plaatsen. Hier komen we nog een keer op terug.


Het speelveld      


Afmetingen speelveld

Een officieel waterpolo speelveld is 20 bij 30 meter bij de heren en 20 bij 25 bij de dames. Omdat in Nederland lang niet alle baden aan die afmetingen voldoen wordt er vaak in baden van 15 bij 25 meter gespeeld (6 banen). Ook worden 5 banen baden gebruikt, deze zijn 12,5 meter breed. De minimale maat is 10 bij 20 meter. Pupillen zwemmen op een speelveld van 12,5 of 15 meter breed bij 20 meter.
De minimale diepte is 1,80 meter, maar ook hier kan ontheffing verleend worden. Je mag echter nooit staan of lopen als je de bal beet hebt.
De doelen zijn 3 meter breed en 0,9 meter hoog. Bij ondiepe baden gelden andere afmetingen. Een doel hoort 1 meter diep te zijn maar als drijvende doelen niet mogelijk zijn dan moet het doel iets dieper zijn dat de bal groot is.


Denkbeeldige lijnen

Omdat waterpolo in het water wordt gespeeld, kunnen we geen lijnen trekken. Op een voetbalveld of bij sporten in een sporthal, is dit wel mogelijk. Toch zijn er bij waterpolo lijnen geen echte, maar denkbeeldige lijnen.Een denkbeeldige lijn is een lijn die je in gedachten tussen twee punten trekt. Bij waterpolo zijn namelijk op de zijlijnen blokjes of pionnen en op de basinrand strepen aangebracht. Tussen deze blokjes, pionnen of strepen moet je den een lijn denken (zie de figuur). 4 lijnen omzomen het speelveld, namelijk 2 zijlijnen en 2 achterlijnen. De achterlijnen worden ook wel de doellijnen genoemd. In veel zwembaden worden ofwel de zijlijnen ofwel de achterlijnen door de kant gevormd. Door middel van twee blokjes, pionnen of strepen worden de volgende lijnen aangeven:

Speelveld

Middenlijn

De middenlijn wordt gebruikt bij het begin van iedere periode. Daar werpt de scheidsrechter de bal in het water en start de tijd op het moment dat één der partijen de bal raakt. Bij elk doelpunt dienen de spelers naar de eigen helft te gaan alvorens de wedstrijd wordt hervat.


De vrije worplijn

Dit is de denkbeeldige lijn tussen de en haaks op de zijlijnen ter hoogte van de plaats in het veld waar voor een overtreding een vrije worp door de scheidsrechter wordt toegekend. Indien een vrije worp wordt toegekend en de bal bevindt zich (in de lengte-richting van het veld en vanuit het perspectief van de ploeg die de vrije worp mag nemen) ACHTER de plaats van de overtreding, dan dient de vrije worp te worden genomen op de plek waar de bal zich bevindt en door de speler van de ploeg (die de vrije worp toegekend heeft gekregen) die het dichtst bij de bal ligt. In alle andere gevallen (als dus de bal VOOR de plaats van de overtreding ligt) dient de bal EERST te worden “terug” geplaatst naar tenminste de vrije worp-lijn voordat de vrije worp mag worden genomen.


5 meter-lijn

Op de 5 meter-lijn worden toegekende strafworpen genomen. Bij in de laatste minuut van een wedstrijd of tweede helft van een verlenging toegekende strafworpen dient de scheidsrechter de aanvallende ploeg te vragen om aan te geven of zij een strafworp, danwel een gewone vrije worp wensen te nemen (DE STRAF VOOR DE VERDEDIGER BLIJFT DIE VAN EEN STRAFWORP). Een directe doelpoging uit een gewone vrije worp is toegestaan voor aanvallers indien en voorzover de betreffende vrije worp is verkregen uit een overtreding door de verdedigende partij BUITEN de 5 meter-lijn vanaf de achterlijn van het doel waarop wordt aangevallen (LET OP: NIET DE PLAATS VAN DE BAL, MAAR DE PLAATS VAN DE OVERTREDING IS HIER BEPALEND!!!!!). De vrije worp dient in het geval van een doelpoging onmiddellijk en in één beweging te worden genomen.


2 meter-lijn

Aanvallers mogen in principe de 2 meter-lijn niet passeren. Alleen als de voorste aanvaller in bezit is van de bal mag hij/zij de 2 meter-lijn passeren en schuift de 2 meter-regel als het ware mee met de speler die in balbezit is. Zodra de bal door de voorste speler wordt overgeplaatst naar een medespeler dan dienen alle aanvallers die zich in de 2 meter-zone bevinden deze terstond te verlaten. Wel mag de speler die de bal ontvangt een geldige doelpoging wagen (mits onmiddellijk en in één beweging gemaakt en de overige spelers daadwerkelijk “onderweg” zijn in het verlaten van de 2 meter-zone).


Doellijn

De doellijn is de lijn, die we aan de voorzijde van en tussen de doelpalen kunnen trekken. Is de bal over de doellijn gegaan tussen de doelpalen (en onder de doellat) dan is er sprake van een doelpunt. Dan gaan alle spelers naar hun eigen helft en mag de verdedigende partij door een speler/keeper naar eigen keuze het spel hervatten met een vrije worp op elke plaats op de eigen helft van het veld (een directe doelpoging is dan NIET toegestaan).


Achterlijnen

De achterlijnen begrenzen het speelveld tussen de zijlijnen aan de voorzijde van de doelpalen. Met uitzondering van het geval dat er sprake is van een doelpunt geldt dat als een bal GEHEEL over de achterlijn gaat nadat de verdedigende keeper de bal als laatste (bewust of onbewust) heeft geraakt, danwel nadat een verdedigende speler de bal opzettelijk (en alleen in zo’n geval) GEHEEL over de “eigen” achterlijn heeft gewerkt, dan volgt er een hoekworp (= vriije worp) te nemen door de aanvallende partij op de 2 meter-lijn tegen de zijlijn van het veld. In alle andere gevallen dat de bal GEHEEL over de achterlijn gaat volgt er een vrije bal voor de verdedigende partij, te nemen in de “eigen” 2 meter-zone op de plek waar de bal zich bevindt nadat deze weer in het speelveld is gebracht/gekomen en dient te worden genomen door de speler/keeper die het dichtst bij de bal ligt.


Zijlijnen

De zijlijnen begrenzen ook het speelveld. Als een bal GEHEEL over de zijlijn gaat, volgt een vrije bal voor de tegenstander van de speler die de bal daarbij het laatst (bewust of onbewust) heeft geraakt.